De les heeft als thema 'ziek zijn'. Bij ziek zijn hoort ook 'beter worden' en ook 'gezonde voeding' als basis van een gezond leven.

In de winter hebben we soms last van een echte griepgolf. En 's zomers komt het wel eens voor dat je een 'zomergriepje' hebt.

Eerste les (20-25 minuten)

  • Voorbereiden: Leer het liedje uit je hoofd
  • Klaarzetten: tafelbellen (of klokkenspel of klankstaven) D E F# G A B (Duitse naam voor de B is H), triangel, bekken, trom.
  1. Lees het verhaaltje voor (of vertel het). Praat daarop aansluitend met de kinderen over 'ziek zijn'. Ben je zelf al eens ziek geweest? Hoe was dat? enz.
  2. Zing het lied een aantal keren en maak daar passende bewegingen bij. Na een paar keer doen de kinderen met je mee
  3. Praat met de kinderen over waarom je in je elleboog moet hoesten of niezen. Zing vervolgens nog eens het lied met hen.
  4. Tabblad 'bewegen': 1. de Rugknuffeldans.
  5. Tabblad 'lezen en spelen': 1. Woordritmes luisteren
  6. Zing ter afsluiting van de les het lied nog een keer met de kinderen

Tweede les (10-15 minuten)

Klaarzetten: slagwerk (ritmestokjes, maracas/schud-eitjes, triangel)

  1. Zing het lied een paar keer met de kinderen. Doe ook eens alleen de gebaren, dus zonder mee te zingen. Kennen de kinderen de juiste volgorde?
  2. Het lied versieren: Voeg slagwerk toe, al naar gelang het niveau van de kinderen.
  3. Tabblad bewegen: 2. Stoelendansen.
  4. Tabblad 'lezen en spelen': 2. Woordritmes lezen.
  5. Sluit deze les af met de Rugknuffeldans uit de vorige les

Derde les (10 minuten)

Klaarzetten: slagwerk, melodisch slagwerk (tafelbellen, klankstaven, klokkenspelen, xylofoons) met staven D E F G A Bb

  1. Zing het lied met de kinderen.
  2. Het lied versieren: Voeg slagwerk en melodisch slagwerk toe
  3. Herhaal een paar werkvormen uit de vorige lessen. Of doe de werkvormen waar je een van de vorige keren niet aan toe bent gekomen. Werk aan kwaliteitsverbetering

"Hatsjoe", klonk het buiten bij de voordeur van het hol van Kobbe. "Kobbe, ben je thuis?" Kobbe de kabouter keek op. Hij zat in zijn luie stoel een boek te lezen. "Wie is daar?" riep Kobbe. "Ik ben het. Ha-ha-hatsjoe. Je vriend Murf, de mol". Kobbe stond op en liep naar de voordeur om open te doen. "Kom maar binnen Murf, ik ben thuis." Murf kwam binnen. Hij had een rode neus. Hij nieste nog eens terwijl hij achter Kobbe aan liep.

Ze gingen zitten in de woonkamer van Kobbe. "Ben je verkouden Murf? Je niest zo", vroeg Kobbe aan de mol. "Het is vreselijk Kobbe. Ik moet steeds zo niesen. Mijn neus doet er helemaal pijn van". "Ai, dat is vervelend", zei Kobbe. "Nou en of", zei Murf. "Ik kan er bijna niet van slapen. Heb jij niet een medicijn voor mij?" "Ik denk dat je te weinig vitamines hebt gegeten Murf", zei Kobbe. "Ik zal eens kijken of ik nog een sinaasappel voor je heb. Dat helpt heel goed." Kobbe liep naar de keuken. Hij pakte een sinaasappel van de fruitschaal en liep weer naar de woonkamer.

"Hier Murf, een sinaasappel. Dat is het beste medicijn bij verkoudheid. Als je genoeg van de vitamines eet die hierin zitten word je niet zo gauw ziek. Met niesen en hoesten moet je altijd oppassen dat je andere dieren niet besmet. Kijk, ik doe het altijd zo". Kobbe deed voor hoe hij in zijn elleboog nieste. "Ga nu maar gauw naar je hol en kruip meteen in bed".

Na deze wijze les ging Murf meteen naar huis en naar bed. Na een paar dagen was hij weer helemaal beter. En zijn neus deed gelukkig ook geen pijn meer.

zingen

© 2020 Ton Huijsman - all rights reserved

*) In plaats van hoofd en buik kun je hier de naam van een ander lichaamsdeel invullen. Pas het ritme aan bij méér-lettergreperige woorden.

het lied versieren

Liedversiering

1. Rugknuffeldans

Als je ziek bent moet je altijd goed oppassen dat andere mensen ook niet ziek worden doordat jij het bent. En als je zelf gezond bent wil je natuurlijk niet ziek worden omdat iemand anders dat is. Ziekte van elkaar overnemen heet elkaar besmettenElkaar niet aanraken dus en ook niet in elkaars gezicht ademen, hoesten of niezen.

Maar toch zou je elkaar wel eens willen knuffelen. Iemand die ziek is mag best wel eens verwend worden. Dus ook geknuffeld. Maar hoe dan? Zonder elkaar te besmetten? Dat leren de kinderen met de Rugkuffeldans

Klaarzetten: tafelbellen D E F# A B (majeur pentatonisch), trom, triangel, bekken.

  1. De leerkracht speelt op de trom = de kinderen lopen vrij door de ruimte terwijl de leerkracht op de trom speelt. Af en toe even stoppen: de kinderen bevriezen dan op de plaats waar ze staan.
  2. Tik op de triangel = de kinderen gaan twee een twee met de ruggen tegen elkaar aan staan.
  3. De leerkracht (of een leerling) improviseert een vrolijk deuntje op de tafelbellen = de kinderen 'knuffelen' elkaar door hun rug tegen de ander aan te wrijven. Als de muziek stopt (zie 1) dan stoppen de kinderen ook met 'rugknuffelen'.
  4. Herhaal de vorige drie werkvormen. Er moet door de kinderen iedere keer een ander 'maatje' gevonden worden (tijdens het trommelen) dan de vorige keer: Iedereen verdient een rugknuffel.
  5. De leerkracht geeft een slag op het bekken = de kinderen gaan snel weer op hun plaats zitten.

2. In de wachtkamer

Het is erg druk bij de dokter. De hele wachtkamer zit vol met mensen die op hun beurt wachten. Zijn er wel genoeg stoelen voor iedereen?

Opstelling: Alle stoelen staan in een kring met de rugleuningen tegen elkaar en met de zittingen naar buiten. Er zijn evenveel stoelen als kinderen.

Intro 'Herfst' - Antonio Vivaldi

stoelendans 1

Uitgangspositie: De kinderen staan in een kring om de stoelenkring, met hun gezicht naar de stoelen toe. Als de muziek klinkt:

  1. A - de kring loopt met de klok mee om de stoelen heen
  2. A - de kring gaat in tegenovergestelde richting om de stoelen heen. Aan het eind staat ieder kind weer bij zijn eigen stoel
  3. Bruggetje - de kinderen staan stil en klappen in de maat mee (8 klapjes)
  4. B - de kring gaat tegen de  klok in om de stoelen heen
  5. B - de kring gaat in tegenovergesteld richting om de stoelen heen. De kinderen komen weer bij hun eigen stoel uit.
  6. De muziek stopt - de kinderen gaan snel op hun stoel zitten.

stoelendans 2

Als de muziek klinkt lopen/dansen de kinderen om de stoelen heen. Zodra de muziek stopt zoeken ze allemaal een stoel op en gaan zitten. De leerkracht stopt de muziek bij ieder wisseling in de vorm (zie vormschema.) Herhaal deze werkvorm een paar keer zodat de kinderen de muziek leren kennen.

stoelendans 3

De kinderen zitten op hun stoel in de stoelkring met een slaginstrument in de hand. Ze spelen hard en zacht met de muziek mee (zie vormschema): "Luister goed naar de muziek. Als de muziek hard is spelen jullie ook hard. Maar als de muziek zacht is moeten jullie ook zacht spelen".

stoelendans 4

Opstelling als hierboven beschreven. Deze keer staan er echter 2 stoelen minder in de kring dan er kinderen zijn. Als de muziek speelt lopen/dansen de kinderen om de stoelen heen. Zodra de muziek stopt gaan de kinderen op de dichtstbijzijnde stoel zitten. Helaas zijn er twee kinderen die geen plaatsje hebben. Zij zijn af. Herhaal de werkvorm met telkens 2 stoelen minder. Ga net zo lang door totdat er nog maar één stoel (en 2 of 3 kinderen) over is.

stoelendans 5 (Baby Elephant Walk van Henri Mancini - 2,41 minuten)

Deze stoelendans is een variatie op de vorige. Deze keer loopt de muziek door maar zoeken de kinderen een stoel als de leerkracht een of twee signaalwoorden roept. Bijvoorbeeld "VOLGENDE PATIËNT". De kinderen die 'af' zijn krijgen een slaginstrument om met de muziek mee te spelen.

 

 

1. Woordritmes luisteren

Luister en klap na : Eerst hoor je het ritmewoord. Daarna het ritmewoord met trommeltje, vervolgens alleen het trommeltje (met het trommeltje meeklappen)

Audio 1: luisteren en klappen

2. Woordritmes lezen

De leerkracht wijst de afbeeldingen om en om aan. De kinderen klappen (eerst alleen spreken) het bijpassende ritmewoord.

Speelplaat 'ziek zijn'

Audio 2: begeleiding bij de speelplaat (50 seconden)

De rugknuffeldans