Photo by Mario Álvarez on Unsplash

Een rivier is een waterstroom. Het water stroomt van hoog (bergen) naar laag (de zee). De bovenloop van een rivier is het gedeelte waar de rivier begint. De benedenloop is het gedeelte aan het einde van een rivier.

De grootste rivieren van Nederland (de Rijn en de Maas) zijn in een ander land begonnen. Een rivier die in de bergen begint, ontstaat doordat sneeuw en ijs in de lente en zomer gaan smelten. Als daar veel regenwater bijkomt wordt de rivier steeds groter en dieper.

Door de sterke stroming kan het heel gevaarlijk zijn om in de rivier te gaan zwemmen. Er kan dan zo veel water door de bedding stromen dat de rivier niet meer tussen de oevers past. Dan kan het land overstromen. Om dit te voorkomen hebben we in Nederland dijken langs de rivier gebouwd.

Als er in de zomer weinig regen is gevallen is de rivier ook vaak smaller en minder diep. Het water kabbelt dan rustig door de bedding van de rivier. Dan lijkt de rivier minder gevaarlijk om in te gaan zwemmen. Maar pas op; er kan een sterke onderstroom zijn. Die kan je onder water trekken. Ga dus nooit zomaar in een rivier zwemmen; het is altijd oppassen geblazen!

Bekende rivieren in Nederland

De Rijn, de Maas, de Waal, de IJssel, de Eems, de Schelde, de Vecht, de Linge, de Dommel, de Dinkel, de Regge, de Zaan.

  • Welke rivier stroomt er bij jou in de buurt?
  • Ligt Nederland aan de bovenloop of aan de benedenloop van de rivier de Maas?

Volgorde van aanleren:

  1. Het lied uit het hoofd leren
  2. Ostinato (begeleiding 1) op klankstaven / bas-xylofoon
  3. Bewegingsspel (tabblad 'bewegen'), eventueel met begeleiding van het ostinato
  4. Begeleiding 2 met klankstaven, metallofoon, klokkenspel en tafelbellen

*) Verander Maas in de naam van de rivier die de kinderen moeten leren.

Begeleiding1

Ostinato Melodische percussie

Begeleiding 2

Ostinato met meerdere instrumenten
© 2019 Ton Huijsman

Begeleiding Trom & Schellenraam

Begeleiding alle instrumenten

 

Opstelling: In een cirkel. De 'maatjes' staan naast elkaar. Ieder paartje krijgt een nummer.

Maat 1 en 2: Drie passen naar links gevolgd door een sluitpas*): links-rechts-links-sluit.
Maat 3 en 4: Drie passen naar rechts gevolgd door een sluitpas*): rechts-links-rechts-sluit.
Maat 5 t/m 8: Herhaling van maat 1 t/m 4.
Maat 9 t/m 16: De paartjes met de oneven nummers haken de armen in elkaar en dansen in galop-pas de kring (linksom) rond. Bij maat 16 komen ze weer precies uit op de plek waar ze net stonden. De kinderen die in de kring staan, de paartjes met de even nummers, klappen in de maat mee.
Bij de herhaling van het lied zijn de paartjes met de even nummers aan de beurt om de kring rond te dansen.

*) = Tijdens de sluitpas in de handen klappen.

Die Moldau (Smetena)

Inleiding

Luister goed hoe de instrumenten 'als water' spelen. Eerst stroomt er weinig water door de rivier. Er komt geleidelijk aan steeds meer water bij (steeds meer instrumenten er bij die 'waterachtig' spelen).

Vraag: welke instrumenten hoor je?

 

Het thema (de hoofdmelodie)

Vraag:

  1. Hoe vaak wordt het thema gespeeld?
  2. De laatste keer klinkt het thema anders: wat is er veranderd?

Bedrich Smetena (1824-1884) was een beroemde Tsjechische componist. Melodiën die hij schreef leken vaak op Tsjechische volksliedjes. Ze lagen goed in het gehoor en waren dan ook heel populair. Het bekendste orkeststuk dat hij schreef gaat over de rivier De Moldau. De muziek beschrijft de rivier die door Praag stroomt en uitkomt in de rivier de Elbe.

We maken een klankspel in dezelfde vorm als in de inleiding voor Die Moldau (tabblad luisteren): vanuit stilte - zachtjes - meer instrumenten (harder). En ook weer terug naar zachtjes en ten slotte terug naar stilte.

Alle kinderen krijgen een instrument waarop ze 'waterachtig' proberen te spelen. Ze proberen het geluid van voorwerpen die in het water liggen muzikaal te illustreren (verschuivend zand, steentjes die tegen elkaar aan tikken in de stroming, stromend en gorgelend water, etc.). Iedereen speelt heel zachtjes (zoals water zelf ook heel zacht is).

Het klankspel

  1. Opbouwen - Het is muisstil. De dirigent (leerkracht) wijst een kind aan dat heel zachtjes op zijn instrument gaat spelen. Het kind blijft doorspelen terwijl de dirigent steeds een ander kind aanwijst dat gaat spelen. Zet, wanneer uiteindelijk alle kinderen (zachtjes) op hun instrument spelen, het onderstaande audiofragment aan. De kinderen spelen met de muziek mee.
  2. Afbouwen - Als de muziek van het audiofragment gestopt is wijst de dirigent steeds een kind aan dat gaat stoppen met spelen. Uiteindelijk speelt er niemand meer en is het weer muisstil.

Herhaal het klankspel met een van de kinderen als dirigent.

Water kan hard stromen. Als je gaat zwemmen in een rivier die hard stroomt kun je meegesleept worden. Als je dan naar de oever zwemt kom je op een heel andere plaats aan land dan daar waar je het water in bent gegaan. Wees dus heel voorzichtig als je in een rivier gaat zwemmen.