Opstelling: In een halve cirkel voor de docent. Perk met 3 kleine tussenruimtes 4 groepen af.

Boomwhackers: Do (C = rood) Re (D = oranje) Mi (E = geel) en Sol (G = donkergroen).

Aandacht: spreek van tevoren met de kinderen een stiltesignaal af. Bijvoorbeeld: Als ik mijn boomwhacker omhoog hou zijn jullie meteen stil’.

[color-box]1 – INTRODUCTIE DOCENT[/color-box]

  1. Zet een set BW’s in volgorde van groot naar klein, rechtop voor de kinderen neer. Laat ze vertellen wat ze zien.
  2. Laat de kinderen zien hoe je klank maakt: Hou een BW in uw ‘sterke’ hand. Hou de andere hand open met de binnenkant naar boven en sla losjes met de BW in de handpalm van de open hand.
  3. Vertel er bij dat ze alleen zo mogen spelen zoals u het voordoet, zeker niet op andere kinderen of op andere dingen.
  4. Zing de toon van de BW na (of mee). U kunt zingen op ‘oeee’ of op de naam van de noot die u speelt (Do-Re-Mi-Sol).

[color-box]2 – UITDELEN EN SPELEN[/color-box]

TIP 1: Laat alle kinderen die een BW krijgen ‘hun’ instrument even onderzoeken: hoe klinkt het, hoe ‘heet’ hij (do, re, C, D enzovoort), kijk er eens door, ruikt hij lekker, is hij zwaar of licht, wat hoor je als je hem tegen je oor houdt? Laat de kinderen altijd even vrij experimenteren.

TIP 2: Speel telkens met de leerlingen die een BW krijgen even een kort echospel (voorspelen-naspelen) om de fantasie en samenwerking te prikkelen.

TIP 3: Een lange tooneen snel repeterende toon; het snel achter elkaar met de BW in de handpalm slaan/tikken.

Werkvorm

  1. Deel eerst de lange rode Do (C) BW’s uit. Dit is de grondtoon. Laat de muzikanten (de kinderen die de BW hebben gekregen) op hun BW een lange toon spelen en laat de toon even doordringen in de ruimte. Laat alle muzikanten deze toon mee zoemen (mmmm  en meezingen op au (stemvorming + ontwikkeling van het innerlijk gehoor).
  2. Deel vervolgens de gele Mi BW’s uit. Dit is de terts (boven de grondtoon). Herhaal de werkvorm en laat de muzikanten weer meezingen; dit keer op oooo.
  3. De volgende is de groene Sol (G). Dit is de kwint. Herhaal de werkvorm weer en laat weer meezingen; dit keer op eeee.
  4. De laatste BW is de oranje Re (D). Dit is de secunde. Herhaal de werkvorm voor deze BW. De muzikanten mee laten zingen op oeee.

[color-box]3 – MELODIE[/color-box]

De muzikanten gaan nu per kleur (toon) een soort melodie spelen van lange tonen. De muzikanten zitten per kleur bij elkaar. De docent geeft aan welke kleur (toon) er moet klinken (de docent improviseert de melodie). Zorg er voor dat alle kleuren even vaak aan de beurt komen.

Het ‘dirigeren’ kan op de volgende manieren:

  • Houdt de kleur BW omhoog die moet spelen
  • Wijs de groep aan die moet spelen
  • Ga voor de kleur staan die moet spelen. Het  heen-en-weer springen van de docent kan tot gelach en rumoer leiden. Laat enkele leerlingen ook eens het ‘orkest’ leiden.

Improviseer melodieën met de beschikbare tonen Do Re Mi en Sol.

Werkvorm

De kinderen spelen en/of zingen mee. Leidt het orkest (+ koor) in deze volgorde:

  1. Do – Re – Mi – Sol – Mi – Re – Do
  2. Re – Mi – Sol – Do – Re – Mi – Sol
  3. Mi – Sol – Re – Do – Mi – Sol – Mi
  4. Sol – Do – Re – Mi – Sol – Do – Re
  5. Do – Mi – Sol – Re
  6. Improviseer vervolgens een aantal melodieën.

[color-box]4 – SAMENKLANKEN[/color-box]

De muzikanten gaan nu tweeklanken en een drieklank vormen. Hierbij is komt ‘sfeer’ van een samenklank (harmonie) om de hoek kijken.

Werkvorm

Herhaal de werkvorm 3 keer. Vraag

Leidt het orkest in bij de volgende samenklanken:

  1. De grote terts  Do + Mi (tegelijk laten klinken)
  2. De kleine terts Mi + Sol
  3. De kwart Re – Sol
  4. De kwint DoSol
  5. De secunde’s Do + ReRe + Mi
  6. De drieklank Do + Mi + Sol

Vraag korte beschrijvingen (maximaal 3) hoe de sfeer aanvoelt. U kunt hierbij refereren naar scènes in films. Is het eng, spannend, vrolijk, droevig?

De leerlijn:

LES 1

LES 2

LES 3

LES 4

LES 5

LES 6

LES 7

LES 8

LES 9

LES 10

Hakken De dronken zeeman Showtime

 

Popsongs voor de bovenbouw

Popsongs